Nieuws
In het kader van het 500-jarig bestaan van het Besiendershuis organiseerden we twee schrijfwedstrijden. De Geest van de Toekomst, waarbij kinderen een nieuw hoofdstuk schreven aan De Geest van het Besiendershuis. En Het Besiendershuis van de Toekomst, waarbij volwassenen schreven over hoe de toekomst van het huis. Alle inzendingen zijn gelezen door juryleden Wieke Rommers, Willem Claassen, Annemarie Haverkamp en Jade Kerste (volwassenen) en Anne-Marie Verwaaijen, Marloes Morshuis, Linda Vogelesang en Jade Kerste (kinderen).
Op zaterdag 21 februari werden de winnaars bekendgemaakt tijdens een feestelijke prijsuitreiking in het Besiendershuis. Teksten van de winnaars, Furkan Yusup en Arjan van Essen, zijn hieronder te lezen. Tevens lees je het verhaal van Diane Busink, die een eervolle vermelding kreeg van de jury.
De geest van de toekomst
door Furkan Yusup (12 jaar)
winnaar De Geest van de Toekomst
Mette aarzelt. Zou ze echt mee moeten? Maar dan pakt ze de hand van Metgen toch vast. Mette voelt een tinteling door haar lichaam gaan. Als de tinteling haar hoofd bereikt, voelt ze een golf van vermoeidheid. Me…Met…Metgen??? Maar dan wordt alles zwart.
Wat moeten jullie hier nou? Als Mette haar ogen open doet, ziet ze een lange jongen die een rare bril op heeft. ¨Wat voor rare bril heb jij nou op?¨ vraagt Mette aan de jongen. Dat is niet raar, dat is een AR-bril. Waar zijn jullie AR-brillen?¨vraagt de jongen. Wie zijn jullie eigenlijk? Metgen antwoordt: we komen uit het verleden. Maar wat bedoel je met AR-brillen?
Ja, als jullie dat ook niet weten, dan moet je wel uit het verleden komen; spot de jongen. Ik heet trouwens Neo, Maar kom gauw mee. Mette en Metgen lopen achter hem aan.¨Welkom in Noviomagus,¨ zegt de jongen. Tijdens het lopen merkt Mette dat de stad helemaal veranderd is. Overal waar je kijkt zie je vliegende drones en de huizen zijn al helemaal veranderd. De huizen zijn niet rechthoekig meer, maar hebben een meer natuurlijke vorm. Het lijkt wel alsof de huizen samengesmolten zijn met de natuur. Overal zie je groen: op de muren, gebouwen, en zelfs op de straten groeit het. En nog opmerkelijker is dat het in sommige tuinen sneeuwt, in andere regent, maar in verreweg de meeste tuinen schijnt de zon. Terwijl Mette bewonderend doorloopt, loopt Neo opeens een huis binnen. Mette en Metgen volgen hem, en ze komen in een kamer die baadt in het zonlicht. Ze gaan zitten.
Dus jullie zeggen dat jullie uit de toekomst komen? vraagt Neo. ¨Nee hoor, we komen van ver en het is een lang verhaal,¨ zegt Mette. Haar maag knort luid. Nu pas merkt ze dat ze honger heeft.¨Zal ik wat te eten voor jullie pakken?¨ vraagt Neo en hij loopt al weg. Mette vraagt aan Metgen: weet jij toevallig wie de geest van de toekomst is? ¨Nee, dat wou ik juist aan jou vragen.¨ Net als Metgen de zin uit heeft gesproken, wordt het donkerder in de kamer en er komt een zware mist de kamer in. Daar is het meisje… De slierten wier in haar haar glanzen alsof er een maan aan de hemel staat. Jij moet niet wachten. jij moet op zoek naar de geest van de toekomst. en dan verdwijnt ze, net zoals ze gekomen is. De zware mist trekt weg en de zon schijnt weer vrolijk de kamer in. Maar Mette heeft kippenvel en vraagt aan Metgen: waar zou die geest van de toekomst nou zijn? Metgen denkt even na voordat ze antwoordt. We kunnen naar het Besiendershuis gaan, Neo om die AI-brillen vragen, of hoe ze ook heten. Zonder worden we sowieso raar aangekeken en… Neo komt de kamer ingestormd met een schaal vol met gekleurde balletjes.¨Wat is dat nu weer in vredesnaam¨zegt Metgen.¨O als jullie dat niet kennen ,komen jullie echt van heel ver,¨ zegt Neo. Dat is een soort maaltijd in een bolletje, het heeft verschillende smaken en het geeft je een energieboost! Mette en Metgen pakken er allebei een en stoppen het in hun mond. Bleg!!! zegt Mette, en ze spuugt het balletje uit. “O ja, vergeten om te zeggen, de groene balletjes smaken naar planten”, zegt Neo met een grijns. Moet ik dat altijd hebben, moppert Mette en ze kijkt met een zuur gezicht naar Metgen. Die lijkt het helemaal niet zo vies te vinden. Mmm… lekker, en soort van brood, maar dan veel zoeter. Neo, heb jij toevallig een paar reserve AI-brillen, vraagt Metgen als ze het bolletje op heeft. AR- brillen bedoel je? Ja, daar bewaren mijn ouders een paar van in hun slaapkamer. ¨Ze zijn bang dat ik de mijne kwijtraak,¨ zegt Neo. Hij gaat naar boven en haalt de brillen op. Jullie mogen ze wel lenen, maar pas op, ze zijn duur, waarschuwt Neo. Bedankt, roepen de meisjes en ze lopen naar buiten. De Steenstraat, waar is de Steenstraat, mompelt Mette.
Er verschijnt een tekst voor haar ogen: De steenstraat bevindt zich op de geografische coördinaten 51.8485° N, 5.8675° O, 250 stappen rechtdoor, daarna 50 stappen rechts en dan sta je in de steenstraat. ¨Wat was dat?¨vraagt Metgen. Ik denk dat het door de bril komt. Als je een vraag stelt, geeft hij antwoord, zegt Mette. Na een eind lopen, komen ze in een deel van de stad waar geen vernieuwing plaats heeft gevonden. Tenminste, geen grote. Er zijn dan wel wat meer planten, en de huizen zien er uit alsof ze net geverfd zijn, maar hier zijn die huizen gewoon rechthoekig! En daar staat het Besiendershuis! Als ze voor de drempel staan, slikt Mette even. Zouden ze nu naar binnen mogen? Metgen klopt op de deur, geen antwoord. Als ze de deur open willen doen geeft hij voor geen millimeter mee.¨O nee, wat moeten we nu!¨ schreeuwt Mette. Uit woede geeft ze de deur een schop. Er klinkt een langgerekte pijnkreet en het wordt opeens wel tien graden kouder.¨Stomme geest van het Besiendershuis, had ik maar niets beloofd aan Metgen!¨ denkt Mette.
Ze is bijna opgelucht als een zacht gegrom aanzwelt en de bekende bleke ogen oplichten in het duister. Daar is het meisje weer, maar dit keer zijn haar ogen woest. ¨Je hebt blijkbaar niet van je fouten geleerd, Mette!¨ ¨Voor straf zul je je hele leven lang moeten dwalen in het Besiendershuis.¨ Maar wees niet bang, je zult niet alleen zijn. ¨In het Besiendershuis ben je nooit alleen,¨ zegt het meisje woest. Mette huilt en smeekt, snottert en jankt, maar het meisje is onverbiddelijk. Ze gilt als een sliert nevel zich om haar heen wikkelt. Zo strak, dat ze bijna geen adem meer kan halen.¨Eer de toekomst en het verleden, dan pas verdien je het om in het heden te leven.¨ Omdat jij het verleden hebt gerespecteerd, krijg je een kans. Jij gaat terug naar het heden. Daar zal je als geest verder leven, maar alleen iemand met respect voor dit huis zal je vrij kunnen maken. En dan valt Mette in het zwartste zwart.
Als Mette bijkomt, ligt ze weer in de houten kamer. Als ze de deur open probeert te doen, glijdt Mette door de deur! O ja, ik ben een geest, denkt Mette en begint dat hartverscheurend te huilen. Als ze merkt dat ze geen tranen meer over heeft, merkt Mette de drie vrouwen op. ¨Ach, meisje¨zeggen ze en geven haar een knuffel. Houd op rotmensen, schreeuwt Mette en ze rent de kamer uit. Mette rent de kamer ernaast in en ziet uit het raam Dex en Saar. ‘Saar… Dex… Hier ben ik!’ Mette probeert op het raam te kloppen, maar haar doorzichtige vingers maken geen geluid. Saar kijkt op en wijst naar het raam. Dex maakt een angstig gebaar en pakt zijn telefoon. Even later komen Sami, Caya en Mats aanlopen. Saar klopt aan en dan zwaait de deur vanzelf open. Ze loopt aarzelend naar binnen. Als ze eenmaal binnen is, blijft de deur open. Een voor een lopen ze naar binnen en dan sluit de deur zichzelf. De zwaan houdt nog steeds de wacht bovenaan de wenteltrap. De kinderen lopen er snel langs, maar hij sist niet. Als de kinderen weer boven zijn, in het houten kamertje, is de stemming bedrukt. En dan wordt het kouder en kouder. Er stroomt een koude nevel de kamer in en daar is ze weer: het meisje. En ernaast; Mette? Er ontsnapt een kreet uit de mond van Saar en de rest is al even verbaasd. Mette is een geest geworden! Het meisje zegt met een woedende stem: jullie vriendin heeft niet geleerd van haar fouten! Daarom zal zij haar hele leven als geest in het besiendershuis doorbrengen. Dan verdwijnen ze allebei.
Buiten blijft Mette even staan. Haar knieën voelen slap en haar hart bonst nog in haar keel. Saar slaat een arm om haar heen.
“Gaat het?” vraagt ze. “Ja,” zegt Mette. “Ik denk het wel.” Ze kijkt nog één keer om naar het Besiendershuis. Het staat er nog gewoon, alsof er nooit iets is gebeurd. Toch weet ze dat dat niet waar is. “Denk je dat het nu echt voorbij is?” vraagt Dex. Mette haalt haar schouders op. “Voor mij wel.” Maar het huis blijft. “Voor altijd.” Ze lopen langzaam weg. Niemand zegt veel. De straat klinkt weer normaal: voetstappen, een fietsbel en stemmen . Het voelt vreemd om terug te zijn, alsof ze even uit de tijd is geweest.
Na een tijdje zegt Saar: “Je hebt ons laten schrikken, weet je dat?” “Dat weet ik,” zegt Mette. “En het spijt me.”Saar glimlacht een beetje. “Gelukkig ben je er weer.”Mette knikt. Ze voelt zich moe, maar ook lichter. Wat ze in het huis heeft meegemaakt, zal ze nooit vergeten. En dat hoeft ook niet. Ze lopen verder, het heden in.
Het huis dat bleef
door Arjan van Essen
winnaar Het Besiendershuis van de Toekomst
Jaar 2526
De stad was weggegaan zonder afscheid te nemen.
Niet in één nacht, niet met sirenes of rook, maar zoals water verdwijnt uit een kom waar een barst in zit. Eerst de stemmen, daarna de stenen. De straten werden paden, de paden weer aarde. Gras vond zijn weg tussen fundamenten, bomen wortelden in wat ooit kelders waren. Alleen wie goed keek, zag nog dat hier een stad had gelegen.
Lena had de oude kaarten gezien, vergeelde vellen met namen die niemand meer gebruikte. Nijmegen, stond er. Een woord dat nergens meer naar wees, behalve naar de rivierbocht en het huis dat was blijven staan.
Het Besiendershuis.
Ze zag het al vanaf het water, toen hun boot de laatste bocht maakte. Het stond hoger dan de rest, alsof het weigerde te knielen. Een huis dat niet had begrepen dat alles voorbijging. Of dat het juist wél had begrepen, en daarom was gebleven.
De boot legde aan in de uiterwaarden, waar het al wekenlang vol stond met tenten, hutten van wilgentenen, doeken gespannen over drijfhout. Mensen uit alle windstreken waren gekomen. Niet alleen voor de vierdaagse, maar ook voor het wachten. Voor het samen zijn vóór het lopen.
De rivier was de weg geworden. Elektriciteit kende Lena alleen uit verhalen, net als hoogspanningsmasten en licht dat zonder vuur brandde. Hier draaide alles op zon en wind, op handen en afspraken, op wie wat kon en wilde geven.
Lume sprong als eerste uit de boot. Vijftien en al langer dan zij. Zijn lichaam was smal, maar gespannen, alsof hij elk moment kon uitveren. Zijn haar droeg hij kort, niet uit mode maar omdat het praktischer was onderweg. Hij keek niet naar het huis. Nog niet. Hij keek naar de mensen.
‘Is dit het?’ vroeg hij.
‘Dit is het,’ zei Lena.
Ze had hem verteld over het geitenpaadje. Over de tocht die hij volgend jaar zou lopen, alleen, zonder haar. Een route die niet op kaarten stond, die zich alleen liet vinden door wie durfde te verdwalen. Nu was dit een oefening. De vierdaagse. Vier dagen lopen, samen met anderen, maar toch ook alleen met je voeten.
Ze hadden maanden gereisd vanuit Slovenië. Over water waar het kon, over land waar het moest. Soms hadden ze meegelopen met karavanen, soms alleen. In de dorpen waar ze kwamen, werd niet gevraagd waar ze vandaan kwamen, maar wat ze konden delen. Lena vertelde verhalen. Lume luisterde en onthield.
Het Besiendershuis bleek geen huis, maar een gebaar.
Binnen was het koel. De dikke muren hielden de hitte buiten en de tijd binnen. Er waren geen deuren meer die sloten, alleen doeken die men opzij schoof. Lange tafels stonden vol manden: gedroogde vruchten, brood, zaden, stukken zeep, geweven doeken, messen met houten heften. Alles wat de gemeenschappen hadden meegebracht. Alles wat gedeeld mocht worden.
Waar vroeger tol werd geheven, werd nu uitgedeeld.
Lena legde haar hand op het hout van een tafel. Ze voelde de nerven, de krassen van eeuwen. Dit huis had oorlogen gezien, overstromingen, branden. Had duistere verhalen gedragen, fluisteringen over bloed en schuld. Nu stond het hier, leeg van bezit, vol van doorgeven.
‘Je mag nemen wat je nodig hebt,’ zei een vrouw met grijs haar dat in een losse knoop zat. ‘En laten wat je kunt missen.’
Lume keek naar zijn moeder. Zij knikte.
Hij nam een mes. Niet groot, niet nieuw, maar scherp genoeg. Lena nam niets. Ze had geleerd dat dragen ook een last kon zijn.
’s Avonds zaten ze bij het vuur in de uiterwaarden. De rivier ademde langzaam, alsof ze zelf ook moe was van al dat komen en gaan. Mensen vertelden waar ze vandaan kwamen. IJsland. De kust van Afrika. De heuvels die ooit Frankrijk hadden geheten.
Lume luisterde. Hij zei weinig.
‘Morgen beginnen we,’ zei Lena.
‘Ik weet het.’
‘Je hoeft niet.’
Hij keek haar aan. Even maar. ‘Ik wil.’
De eerste dag liep het pad langs wat ooit straten waren geweest. Oude lantaarnpalen lagen half in de grond, begroeid met mos. Kinderen speelden tussen stenen die geen functie meer hadden. Het lopen was licht en voelde bijna feestelijk. Mensen zongen , of zwegen samen.
De tweede dag werd zwaarder. De route ging over oude dijken, langs wielen en kolken waar het water ooit had gewonnen. De zon brandde. Lume’s adem werd korter.
‘Rust,’ zei Lena.
‘Nog even.’
Ze liet hem. Wist dat hij zijn grenzen moest leren kennen. Niet om ze te overschrijden, maar om ze te voelen.
De derde dag liep het pad dichter langs de rivier. De grond was drassig. Schoenen zogen zich vast. Hier werd minder gepraat. Hier hoorde je het lichaam werken.
Lume viel. Niet hard, maar genoeg om te blijven zitten.
‘Het geitenpaadje is erger,’ zei hij.
Lena ging naast hem zitten. ‘Misschien.’
‘Waarom doen we dit eigenlijk?’
Ze dacht aan de steden die waren verdwenen omdat niemand meer wist wie waarvoor verantwoordelijk was. Aan het licht dat uitging toen niemand het nog wilde onderhouden. Aan gemeenschappen die hadden geleerd dat samen niet vanzelf ging.
‘Omdat lopen je herinnert dat je ergens bent,’ zei ze. ‘En dat je daar ook weer weggaat.’
De vierde dag kwamen ze terug bij de rivierbocht. Het Besiendershuis stond er nog steeds, onverstoorbaar. Mensen verzamelden zich. Er werd gegeten, gedronken, gedeeld. Geen finish, geen prijzen. Alleen aankomst.
Lume stond stil en keek naar het huis.
‘Denk je dat het weet dat het er nog is?’ vroeg hij.
Lena glimlachte. ‘Misschien niet. Misschien is dat juist waarom.’
Die nacht sliepen ze in de uiterwaarden. De wind speelde met het doek van hun tent. Lume sliep onrustig. Droomde misschien al van het geitenpaadje.
Lena lag wakker en luisterde. Naar de rivier. Naar de adem van haar zoon. Naar een wereld die kleiner was geworden en daardoor misschien eindelijk te dragen.
In het jaar 2526 was niet alles beter. Maar sommige dingen waren gebleven. Een huis, een paadje en een jongen die leerde lopen zonder zeker te weten waarheen.
Met een moeder die wist dat loslaten ook een vorm van geven was.
Vergetelheid
door Diane Busink
eervolle vermelding Het Besiendershuis van de Toekomst
Deze halte is tijdelijk opgeheven, leest Marieke hardop. Ze knikt aarzelend. Om het haltebord zit een vuilniszak geschoven, vastgezet met tape. Het staat er in haastige, onregelmatige, handgeschreven letters.
Rare formulering: tijdelijk opgeheven. Iets opheffen klinkt toch best definitief. Maar dat briefje zit er niet voor niets. Tijdelijk is tijdelijk. Dus zo is het. Over een poosje rijdt de bus gewoon weer over de Waalkade.
Ergens klinkt een zacht gebrom. De bus? Marieke kijkt schichtig om zich heen. Er is niemand op straat, geen verkeer. En toch hoort ze iets. Haar blik wordt getrokken naar het oudste pand: het Besiendershuis, het huis dat altijd net iets te lang terugkijkt. Vandaag zijn de luiken dicht; het huis lijkt haar te negeren.
Als Marieke even later de hal van het museum binnenstapt, kleeft de sneeuw onder haar schoenen. Ze stampt haar voeten en laat een slingerend spoor na op de mat. Sneeuw is ook tijdelijk.
Het is rustig in de hal. De suppoost glimlacht, zwaait achteloze rondjes met zijn sleutelbos.
Marieke hangt haar jas op. Bij het bukken voor het bagagekluisje kraakt haar knie. Dat is niet tijdelijk. Daar komt ze nooit meer vanaf, zegt de dokter. Alles slijt met de tijd. De sleutel van kluisje 25 verdwijnt in haar broekzak. Ze checkt nog een keer het nummer. 25. Je zult het vergeten en dan mag je weer langs al die kluisjes.
Betty zit er al. Uiteraard.
Ze zwaait joelend. ‘Marieke! Hier!’
Marieke houdt haar handen even tegen haar oren. ‘Ik heb kluisje 25,’ mompelt ze. ‘Vijf-en-twintig, dat moet ik onthouden.’
Zes grote stappen, een omhelzing en drie luchtkussen later ratelt Betty over hun museumbezoekje, de sneeuwval en hoe alles vroeger anders was. Marieke kijkt hoe Betty’s lippen bewegen, maar al snel dwaalt haar blik af, naar buiten, over de Waalkade.
‘Meid, wat een weer toch hè?’ snerpt Betty in haar oor.
Marieke duwt haar handen weer tegen haar oren. Tevergeefs. Ze is misschien een beetje vergeetachtig en soms in de war, maar zeker niet doof!
‘Als we zó 2026 in moeten … niks klimaatverandering, bovendien …’
Marieke kijkt naar de rode mond van Betty waar alsmaar nieuwe woorden uit vliegen. Woorden die ze niet kan vangen. Die net als haar gedachten ronddwarrelen als sneeuwvlokjes. En smelten zodra ze vastigheid bereiken.
‘Ik moest het hele eind lopen,’ zegt ze, plompverloren. ‘De bus rijdt hier niet meer langs.’
‘Gossie meid,’ lacht Betty. ‘Waarom ben je dan alsnog bij die halte gaan kijken?’ Marieke zwijgt.
‘Kijk ginds, een sneeuwschuiver,’ wijst Betty.
Marieke knikt afwezig en volgt de knipperlichten die in de verte over de Waalbrug verdwijnen. ‘Zeg, nog even over die bushalte, vlakbij het Besiendershuis …’ Betty hoort het niet, ratelt verder. Iets over een hondje.
In haar broekzak voelt Marieke de sleutel. Nummer 25. Van kluisje 25. Goed onthouden. 2525. ‘Goed dat ze dat eraan hangen, dan weet je waar je tas is. Hoef je niet langs al die kastjes,’ mompelt ze.
Daar is Betty even stil van. Er verschijnen diepe rimpels in haar voorhoofd, en haar wenkbrauwen veren op.
‘Ik heb het over Jo-ris,’ zegt Betty met veel nadruk. ‘Wat een gedoe.’ Marieke haalt haar schouders op. Joris?
‘Doodziek.’
‘Wie?’
‘Joris natuurlijk.’
Marieke staart de rode mond van Betty. Die gaat steeds even open, en meteen weer dicht. Er zit een veegje lippenstift op haar wang, ook dat nog.
‘Marieke, luister je wel?’
‘Er stond tijdelijk opgeheven, Betty. Snap jij dat?’ Marieke draait zich paniekerig om. Resoluut pakt Betty Mariekes arm. ‘We lopen straks naar die bushalte bij het Besiendershuis,’ zegt ze zuchtend. ‘Ik ga eerst even plassen.’ En weg is Betty. ‘Zal de bus straks rijden?’ zegt Marieke hardop.
Er staat ineens een man naast haar. Met een grote sleutelbos.
‘Woont u hier?’ vraagt ze hem.
‘Dat zou je bijna zeggen, ja.’ De man glimlacht, knikt en loopt weer door. ‘Mijnheer,’ roept Marieke hem achterna, ‘bent u ook met de bus?’ Hij is al weg.
Er klemt iets in haar broekzak. Het is een sleutel. Met een nummertje, 25. Hoort bij kluisje 25. Dat weet ze bijna zeker. Toch? Ze bijt weifelend een velletje van haar lip. Een slokje water zou lekker zijn. Voordat de bus komt.
Nog voor Betty terug is, staat Marieke buiten. Zonder jas. In de kou. Alsof iemand haar heeft geroepen zonder haar naam te noemen.
Ze loopt huiverend langs het casino en de cafés, en blijft als vanzelf stilstaan voor het Besiendershuis. Het staat er als altijd: scheef, koppig, onverzettelijk en tijdloos. Alsof het weigert mee te gaan met de tijd, en daardoor alles wél onthoudt. Niks tijdelijks aan.
‘Goedendag,’ klinkt plotseling een raspende stem. Het is een geluid dat niet bij moderne gebouwen hoort.
Marieke kijkt omhoog wie haar roept daar achter die eeuwenoude vensters met het glas-in-lood. Ze ziet geen mens, alle ramen zijn donker. Ergens kraakt iets, als bevroren grind.
In haar broekzak voelt ze de sleutel. Nummer 25. Dat weet ze zonder te kijken. Fijn. Als vanzelf schuiven haar voeten verder voorwaarts over het ijzige plaveisel. Haar blik dwaalt zoekend langs de oude gevel.
‘Ben jij Marieke?’ klinkt het.
‘Ja!’ zegt Marieke, in het luchtledige. ‘Ja, dat ben ik.’ De echo van haar stem glijdt over de sneeuw en kaatst tegen de stenen.
‘Ik verwachtte je al,’ kraakt de stem.
Marieke kijkt om zich heen en rilt. Op de stoep voor het Besiendershuis is niemand. De Waalkade is verlaten. Met haar handen boven haar ogen tuurt ze omhoog. Achter geen van de bovenvensters brandt licht. De luiken staan open.
‘Ik zie jou niet.’
‘Ik zie jou wel.’
‘Wie ben je?’
‘Ik ben toezichthouder.’
‘Wat is dat?’
‘Ik pas op alle herinneringen van de stad.’
‘Nou, ik pas op mezelf!’ roept Marieke.
‘Zachtjes,’ zegt de stem. ‘Ik ben dan wel oud, maar niet doof. Ik hoor alles, maar niet alle mensen horen mij.’
Marieke kijkt om zich heen en vraagt zich af waar al die mensen dan zijn?
‘Waar ben je …?’ vraagt ze.
‘Overal. En nergens. Ik ben er al eeuwen,’ zegt de stem.
Marieke rilt weer. Van de kou. Of van iets anders. Ze staart een tijdje naar de benedenverdieping. Ook daar brandt nergens licht. De deur staat wagenwijd open. ‘Ik zorg dat alles herinnerd wordt,’ hervat de stem. ‘Voor de stad en voor de mensen. Ik ben niet voor niets beziender.’
‘Alles herinneren valt niet mee,’ mompelt Marieke. En dan, met meer kracht in haar stem: ‘Zeg, weet jij misschien of de bus hier straks zal rijden?’
‘Ik hoef niet met de bus. Ik sta stil sinds 1525.’
Marieke knikt. Zij staat ook stil.
‘Iedereen wil vooruit. En soms achteruit. Een eeuwigdurende beweging, ongeacht welk jaar het is.’
Marieke fronst. Welk jaar is het ook alweer? Daar zei Betty iets over? Iets met 25, toch? Ineens herinnert ze het. ‘Het is 2025,’ zegt ze. Triomfantelijk houdt ze de sleutel met het nummertje omhoog. ‘2525.’
‘Magisch getal.’
‘Weet jij toevallig waarom de bushalte tijdelijk is opgeheven?’ vraagt ze nogmaals. ‘De hele stad lijkt tijdelijk opgeheven,’ zegt de stem. ‘Oude gebouwen verduurzaamd, straten heringericht, overal elektrische voertuigen. Het openbare leven vindt plaats achter schermen en touchscreens. Waar blijft het gezang in de stegen, het gegalm vanonder de bruggen, en het geschreeuw op de markt? Wat geen geluid geeft, sluipt langzaam uit ons geheugen. De stad zakt zwijgend weg in vergetelheid, dommelt in. Zo mag het niet eindigen, zo doodstil.’
‘Dood-stil,’ zegt Marieke. Het sneeuwdek weet haar brekende stem te vangen. ‘Daarom laat ik van me horen. Ik ben oud. En oud onthoudt. Het nieuwe groeit altijd uit het oude. En dat is nooit af. Af is kwetsbaar. Het lijkt dan wel stevig, maar het brokkelt.’
‘Ik brokkel ook,’ fluistert Marieke. ‘Ik vergeet alles. Ik ben zelfs mijzelf een beetje vergeten.’ Ze slikt. ‘Ik word steeds een beetje minder af. Alsof ik tijdelijk ben opgeheven.’
‘Mooi gezegd,’ zegt de stem bedachtzaam. Gelukkig is het van voorbijgaande aard. Net als bij kabinetten, huisvesting, oplossingen.’
Daar is Marieke een tijdje stil van.
‘Uiteindelijk is alles tijdelijk,‘ hervat de stem. ‘Zelfs mijn baan. Ik schud de stad wakker. Totdat iedere brug en iedere gevel spreekt zoals ik doe. Om de mensen te laten kijken en luisteren naar wat is, en blijft.’
‘Misschien wel tot 2525,’ zegt Marieke. Ze voelt even aan de sleutel in haar zak. ‘Ja, ik heb nog heel wat jaren te gaan,’ zucht de stem. ‘Alles aan me kraakt en piept van zoveel collectief geheugen.’
‘Ik kraak ook,’ zegt Marieke. ‘Maar ik ben er nog steeds!’
‘Zie je, ook als alles kraakt, blijft het leven stromen.’ De stem klinkt tevreden. Ineens is de deur dicht. En de luiken ook. Dat was net nog niet zo. Marieke steekt haar hand aarzelend op. Hoe groet je een gebouw?
Langzaam draait ze zich om, en schuift voetje voor voetje in de richting van de bushalte.
De vuilniszak hangt er nog omheen. Het briefje wappert. Deze halte is tijdelijk opgeheven, leest ze hardop. Ze glimlacht, en kijkt om naar het Besiendershuis. Tijdelijk, denkt ze.
Gelukkig maar.